Kind(s)

Ik was een kind, hij was kinds. Hij maakte deel uit van mijn biotoop, van mijn straat. Ik situeer hem in die straat, waar in die tijd altijd de zon scheen, en altijd komt hij van de hoek van de straat mijn richting in lopen. Ikzelf sta zo ongeveer voor de voordeur van ons huis. Een armelijk, klein arbeidershuis, maar dat wist ik toen nog niet. Mijnheer T., althans, dat meen ik me te herinneren, dat dat zijn naam was. Ik moet het nog eens navragen bij mijn grote zus. Die weet dat soort dingen.

Hij is altijd hetzelfde gekleed. Hij draagt een colbert. Dat is vreemd. In de arbeidersbuurt waar ik opgegroeid ben droeg niemand een colbert. Ketelpakken, ja, oude broeken, bloezen, truien, overalls, jasschorten, van alles, maar geen colberts. Corporate Identity-kleding bestond nog niet.

Een colbert, een grijze broek. Daaronder vilten pantoffels, die nog steeds te krijgen zijn. Ik vermoed dat die zo’n 1500 jaar geleden voor het eerst gedragen zijn, ergens in Mesopotamië. (Tenslotte komt een groot deel van onze beschaving uit het Midden-Oosten. Een deel van onze vluchtelingen trouwens ook. Als U nog eens een vrij momentje hebt, zou U daar eens over na kunnen denken.)

Colbert, grijze broek, pantoffels, schuifelende tred. Hij loopt licht gebogen, kijkt naar de tegels. Is hij bang te vallen?

Jaren later loopt er nog een pantoffelganger, in de straat om de hoek. Mijnheer H., mijn naamgenoot, nota bene. Hij wordt verdacht van luiheid. Verder werkt iedereen. Bij de stadsreiniging, in fabrieken, als timmerman of huisschilder, met de hand greppels graven in de vette Zeeuwse klei: het is eind jaren 40, begin jaren 50 en het vaderland moet worden opgebouwd.

Mijnheer T. wordt niet verdacht. Hij schuifelt de straat in. Zijn geheugen heeft hij thuisgelaten. Vermoedelijk keert hij ooit ook weer terug. Dat weet ik niet.

Waarom herinner ik me hem zo duidelijk? Ik zal misschien 5 of 6 jaar zijn geweest, hoogstens. Ik zie die in zichzelf verloren, verwarde en toch waardige oude grijze man, gebogen, zó voor me. In een zonnige oude straat, een straat als een moederschoot.

Hij woonde op de hoek. Hij werd niet lastiggevallen, voor zover ik weet. Was er iemand die hem hielp, een oogje in het zeil hield?

In mijn herinnering is de straat verder verlaten.

Vanwaar die heldere herinnering? Was het zijn ongewone kleding, of voelde ik instinctief dat hij niet gewoon was, niet doorsnee? Kinderen, zelfs heel jonge kinderen, begrijpen veel, ook als ze er nog geen woorden voor hebben.

Hoe dan ook, hij loopt mijn gezichtsveld en mijn herinnering binnen. Ik zie hem alleen maar op enige afstand, met de zuidelijke zon in zijn rug. Het zal dus rond twaalven zijn geweest. Is hij me voorbijgelopen, omgedraaid, teruggegaan? Of ben ik zelf naar binnen gegaan?

Ooit moet hij uit mijn straat verdwenen zijn. Gestorven? Naar een tehuis? Ik weet het niet. Ik weet ook niet waarom dit beeld me zo dierbaar is, me ontroert. Is het wat Shakespeare in King Lear 'unaccommodated man' noemt, de kwetsbaarheid van de mens ontdaan van alles?

Zoiets moet het zijn.