Dementie is net een bingokaart

Albert de Cock heeft een vrouw met dementie

12 jaar geleden kochten ons Riet en ik het appartement waarin ik nu alleen woon. Ze was toen 64. Mijn zoon en ik waren aan het klussen. Tijdens de koffie vroeg hij: ‘Hé pap, merkt u niets vreemds aan ons mam?’ Ze was niet zo actief als anders, een beetje vergeetachtig. De maanden erop ging dat niet over. Na een halfjaar zaten we bij de geriater en kreeg ze een hersenscan. Dementie.

Ze kreeg pillen die de ziekte misschien zouden kunnen remmen. Maar die benamen haar alle eetlust. Daarna probeerde ze pleisters, maar daar kreeg ze uitslag van dus ook daar stopten we mee. Op aanraden van GGZ Tilburg gingen we naar een wekelijkse avond voor dementiepatiënten en hun partners. Daar werd ze erg ongerust en opgelaten van. De mensen in die groep hadden echt dementie, terwijl er met haar niet zoveel mis was. Ze stond bijvoorbeeld voor de kast, en dan wist ze niet meer waar het kopje hoorde. Meer was er eigenlijk niet aan de hand. We besloten met de groep te stoppen.

Vanaf dat moment heb ik ons Riet overal mee naartoe genomen. Ik begeleidde haar bij alles. Ik bracht haar naar haar vrijwilligerswerk en naar de tafeltennis, totdat dat niet meer ging. Ze borduurde graag, maar ze ging langzaam maar zeker achteruit. We waren heel open over de dementie. Ik heb het bijvoorbeeld verteld bij een vergadering van de Vereniging Van Eigenaren van ons appartementencomplex. Zodat de buren niet vreemd zouden opkijken als ze een keer op de verkeerde verdieping zou rondlopen. In 2013 zijn we voor het laatst samen op vakantie geweest, naar de Normandische kust. Later maakten we nog wel dagtripjes, maar ik moest haar steeds intensiever begeleiden. Als we fietsten, wist ze niet meer wanneer ze moest afstappen.

Steeds meer begeleiding nodig

Op een gegeven moment ging ze naar de dagbesteding van Convivio. Na de eerste ochtend kwam ze heel vrolijk terug. ‘Ik heb gezellig gekleurd en geholpen met soep koken’, vertelde ze. In stapjes bouwden we de dagbesteding op, totdat ze er 5 dagen per week naartoe ging. Maar ze had steeds meer begeleiding nodig. Eigenlijk één op één. Mijn kinderen maakten zich zorgen toen zij zagen hoeveel ik voor hun moeder moest doen. Samen met onze begeleider van GGZ hebben we toen allerlei instellingen bezocht. Uiteindelijk kwam ons Riet in mei 2016 op de Zonnehof terecht. Daar zijn we best tevreden over. Ze wordt goed verzorgd, en er zijn veel vrijwilligers die bijvoorbeeld met de dames gaan bewegen.

Inmiddels herkent ze me niet meer; dat doet me heel veel verdriet. Ze vraagt steeds aan me: ‘Waar is ons Albert toch?’ Als een verpleegster zegt dat ik het ben, dan is ze blij. We kunnen niet meer met elkaar praten. Zo’n uur duurt dan lang, hoor. Daarom bezoek ik haar het liefst op momenten waarop er iets te doen is. Zoals een oecumenische dienst, de ‘Breek-je-week’-muziekavond of een bingo. Eigenlijk is zij ook net een bingokaart. Er gaat telkens weer een klepje dicht. Hoe ze zich voelt weet ik vaak niet, soms huilt ze en een minuut later lacht ze. Ze is vaak onrustig en angstig. Dat heeft ze altijd al gehad. Zij heeft haar moeder jong verloren en vond steun bij mij. ‘Onze Albert is ene gouwe voor men’, zei ze altijd. Daarom vraagt ze nu steeds naar mij. Maar ze weet niet of ik ben geweest en hoe vaak. Ik zorg wel voor mijn eigen ontspanning. Vroeger bezochten we graag voorstellingen: operette, toneel… nu ga ik met de vrouw van een kameraad naar het theater. En ik maak reizen. Mijn kinderen vinden het geweldig dat ik dat doe.

Dementie is de gemeenste ziekte die er is. Verder is ze kerngezond. Ze is alles voor mij, maar soms vraag ik me wanhopig af: hoe lang moet ik nog naar dat gezeur blijven luisteren? Tegelijkertijd heb ik het er heel moeilijk mee dat ze opgenomen is. Ze hoort hier: thuis, bij mij. Maar dat kán gewoon niet.

Albert de Cock uit Tilburg


www.brabantseproeftuindementie.nl